submenu

Zuster Hedwig over leven en werk - 14/02/2020

‘Mooie herinneringen aan het kloosterleven’

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zag Gilberte Clerckx het levenslicht in Beersel. Op 17-jarige leeftijd nam ze als zuster Hedwig haar intrek in het klooster van Sint-Genesius-Rode, het hoofdhuis van de congregatie van zusters van Onze-Lieve-Vrouw van Zeven Weeën.

In de achtertuin van het klooster eiste ook de Molenbeek haar plaats op. Samen met de zuster blikken we terug op haar werk en leven langs de beek.

‘In 1960 ben ik in het klooster getreden. Ik was toen amper 17 jaar. Zo jong, dat zou nu niet meer kunnen. Het waren toen andere tijden’, vertelt ze. ‘Toen ik in het klooster ging, woonden er een 30-tal zusters in Rode. Bovendien hadden we nog zeventien bijhuizen. Niet alleen in Ten Broek, Beersel, Linkebeek of Essenbeek, maar zelfs in de ruime regio rond Antwerpen zaten er zusters van ons. Nochtans waren we een relatief kleine congregatie in vergelijking met andere.’ Haar kloosternaam mocht ze zelf kiezen. ‘Hadewijch was een naam  die ik graag hoorde. Maar dat was geen optie, want die was niet heilig verklaard. Dus koos ik voor Hedwig. Dat leek er op, en het was bovendien een heilige.’

In 2009 verlieten de laatste zusters het klooster in Rode. ‘De gebouwen waren veel te groot geworden voor de weinige bewoonsters. Drie zusters verhuisden naar een klein klooster in Putte. Twee andere zusters die uit onze regio afkomstig waren, verhuisden naar het rusthuis De Groene Linde. Zuster Renata en ikzelf trokken naar een serviceflat’, zegt ze.

Zesde leerjaar

In 1966 begon zuster Hedwig les te geven in de basisschool van het Onze- Lieve-Vrouwinstituut dat aan het klooster verbonden was. ‘Mijn eerste klas was een vijfde leerjaar. Het jaar nadien ging ik met die klas mee over naar het zesde. Het grootste deel van mijn verdere loopbaan heb ik als leerkracht voor het zesde leerjaar gestaan. Dat lesgeven heb ik altijd met hart en ziel gedaan. In de zomervakanties miste ik de kinderen wel. Nu zie ik soms nog eens oud-leerlingen, dat is altijd plezant. Gezichten herken ik meestal snel, al duurt het soms even vooraleer ik er een naam op kan kleven’, lacht ze.

In de loop van haar carrière zag zuster Hedwig de kinderen in de klas evolueren. ‘In mijn beginjaren als leerkracht waren de leerlingen heel braaf en stil. Zodra er jongens bij kwamen, veranderde dat’, glimlacht ze. ‘Jongens waren wat rumoeriger. Maar anderzijds waren ze minder gecompliceerd, omdat ze pas op latere leeftijd begonnen te puberen. Meisjes kregen soms al puberstreken op het einde van het zesde leerjaar.’

Zuster Hedwig had jarenlang het kinderkoor onder haar hoede. ‘Ik heb het destijds overgenomen van Hilde Savenberg. In het begin waren er veel zangertjes, ik denk dat er toen 60 kinderen in het koor ingeschreven waren. Maar ja, nieuwe bezems vegen altijd goed. Tegen het einde werd het moeilijker en moeilijker om genoeg zangers bij mekaar te krijgen. Uiteindelijk heb ik het kinderkoor 27 jaar geleid. Ook dat was een tijd waaraan ik mooie herinneringen koester.’

Zingen loopt als een rode draad door het leven van zuster Hedwig. Nu dirigeert ze nog het volwassenenkoor. ‘Al zou ik er niet kwaad om zijn als iemand anders het overneemt. Ik zou nog graag blijven zingen, daar niet van. Het zal niet gemakkelijk zijn om een opvolger te vinden, want alle leden worden stilaan een dagje ouder. En als jonge mensen niet naar de mis komen, komen ze ook niet in contact met het koor.’

Kat gered

‘Ik vond het idyllisch dat de Molenbeek door de kloostertuin liep. Het jammere was dat de beek soms alle kleuren van de regenboog kreeg, afhankelijk van de kleurstoffen die in de papierfabriek gebruikt werden. Er hing ook regelmatig een vieze geur, want veel rioleringen mondden vroeger uit in de beek. Gelukkig is de Molenbeek nu properder. Toen ik nog een jonge zuster was, heb ik eens een kat uit de beek gered. Dat beest was luid aan het miauwen en geraakte op eigen houtje niet meer uit het water. Ik heb toen een tak in de beek gehouden, tot ze genoeg houvast had om uit het water te klauteren.’

‘Ik heb de Molenbeek ook nog weten overstromen. Het exacte jaartal kan ik me niet meer herinneren. Ik weet alleen nog dat er zusters van de bijhuizen bij ons op bezoek waren voor een retraite. Er was een zware wolkbreuk. Een stuk van onze tuinmuur was zelfs in de beek gespoeld. Heel het dorpscentrum was overstroomd en ook het achterste stuk van de kloostertuin stond onder water. Zo erg heb ik het maar één keer geweten.’

Offers

‘Samenleven in het klooster was niet altijd makkelijk. Alle zusters kwamen uit een ander gezin met andere leefgewoonten. Maar intreden in het klooster is een roeping. Bij mij was het vooral het godsdienstige aspect dat mij aantrok. De kleine offers die je daarvoor moet brengen, neem je erbij. Ik heb altijd gedacht: in een huwelijk moet je ook geven en nemen, dat zal misschien wel gelijkaardig zijn. En in het klooster konden we ’s avonds elk naar onze eigen kamer, als koppel moet je dan nog in hetzelfde bed liggen’, lacht ze.

‘Ik denk dat er nu nog roepingen zijn, maar de omstandigheden zijn anders. Hoe kunnen jonge mensen tegenwoordig hun roeping vernemen als ze niet bidden of als ze het niet kunnen stil maken? Dan moet God al een geweldig harde klop geven. Dat was vroeger anders. Toen ik kind was, gingen de meeste mensen naar de mis. Het waren uitzonderingen die niet naar de kerk gingen.’

‘Eigenlijk ben ik blij dat ik in deze tijd geen jong meisje ben. Ik zou veel dingen missen die ik in mijn leven wel heb gehad. Die tijd komt misschien ooit terug, maar volgens mij gaat zo’n evolutie sneller in steden dan in dorpen. In steden zal je gemakkelijker het verval zien, maar ook de wederopbloei. Er zijn immers meer mogelijkheden. Op de buiten zijn er veel mensen die iets doen ‘omwille van een ander’. Het is daar vaak moeilijker om tegendraads te zijn of tegen de stroom in te roeien. Daarvoor moet je al wat haar op je tanden  hebben’, vindt ze.

‘Als ik terugkijk, zijn er in mijn leven heel veel mooie momenten geweest. De gezamenlijke gebedsmomenten vond ik altijd bijzonder. Ook met de zusters in de tuin werken, daar kon ik enorm van genieten. Samen een hele hoop planten verpotten of het onkruid wieden. In de vakanties gingen we ook op wandeling. Dat was met de novicen, toen waren we nog jong. Dan gingen we bijvoorbeeld naar Beersel, De Hoek of Linkebeek, op bezoek bij de zusters daar. We gingen te voet op pad en hadden meestal iets speciaals klaargemaakt. In latere jaren mochten we al eens samen op eendagsreis. En onder de hoede van zuster Theresia gingen we op meerdaagse uitstap. Ik herinner me een fijne reis naar Lisieux, van waaruit we ook de Mont-Saint-Michel bezochten. Ik heb  me mijn jaren in het klooster nooit beklaagd.’

 

Tekst: Heidi Wauters
Foto: © Tine De Wilde
Uit: buurten februari 2020